Gegroet éénieder die dit leest,

ik heb al lang geleden besloten met deze zogenaamde hype te starten. Enig probleem: absoluut geen inspiratie, en zeg nu zelf, een verhaaltje over kabouters moet ik hier ook niet vertellen. Ik denk dat er al veel te veel inhoudsloze blogs zijn, die maar getypt zijn door mensen die zich extreem vervelen, zichzelf wel heel erg interessant vinden of andere narcisten.

Van mij is het heel wat simpeler. Ik vond het tijd om eens uit te leggen wat ik de voorbije anderhalve maand heb uitgespookt in ziekenhuizen en andere belachelijk steriele omgevingen. Kwestie van niet alles elfendertig keer opnieuw uit te leggen – helaas is het daar al te laat voor.

Beginnen bij het begin dus.

Zaterdag 11 november, wedstrijd in Gent tegen Falco. Opdracht gekregen van de coach van de eerste ploeg om maar 15 minuten te spelen(ik was niet de enige), kwestie dat ik nog fit zou zijn voor de wedstrijd op Wevelgem ’s avonds. De wedstrijd verloopt voorspoedig, we spelen heel erg degelijk en staan zowaar zwaar op voorsprong tegen de ongeslagen leider. Uiteraard spelen we allemaal meer dan de opgelegde minuten en maken er een mooie wedstrijd van. Helaas word ik meer dan goed voor me is tegen de grond gekwakt in pogingen om de tegenstander voorbij te gaan. Misschien moet ik de volgende wedstrijden wat trager lopen.

Na de wedstrijd kan ik amper nog lopen – misschien vermelden dat ik al op voorhand verdacht veel pijn had aan een ontstoken voet – maar ik sleepte me toch op de één of andere manier naar huis. Een uurtje tukken en dan op weg naar Wevelgem. Behalve lichamelijke pijn komt er nu ook nog hoofdpijn bij, niet dat ik dat een spirituele pijn ofzo vind maar het kind moet een naam krijgen. In de opwarming voel ik al meteen dat het niets wordt, melden bij de coach biedt geen oplossing. Ik speel uiteindelijk misschien 4 minuten vooraleer ik bijne ineenstort. Hoe ik de opwarming voor de tweede helft levend ben doorgekomen besef ik nog steeds niet goed. In de tweede helft zit ik te rillen op de bank, niet bepaald een goed teken. Ik begin te vermoeden dat de derde wedstrijd van de dag niet voor mij weggelegd zal zijn. Dat wordt dan ook bevestigd in de kleedkamer achteraf, ik doe er onmenselijk lang over om om het even welke beweging te maken en benader meer de titel ‘persoon met een fysieke beperking’ – want zo moet men gehandicapten eigenlijk noemen, dixit mijn broer – dan een volledig fitte sportman. Ik word naar huis gesleept door heel erg bereidwillige ploegmaats en ik kruip mijn bed in zonder te eten. De dag nadien naar de dokter, mijn moeder wil me naar spoed brengen (het was een zondag) maar we moeten een sportarts raadplegen van de club, en dat kan je hen zeker niet kwaad nemen met al de charlatans in deze wereld. Conclusie van de sportarts: ontsteking pees teen, verrekking linkerknieholte, kneuzing staartbeen, ontsteking rechtervoet, kneuzing schouder en het begin van virale infectie. Mooi zo, nog nooit heeft zijn doktersblaadje zo vol gestaan. Als de hardnekkige en extreem pijnlijke schouder niet betert moet er een echo komen. Ik heb de heel erg onterechte hoop dat de zweetaanvallen en koortsbuien over gaan. Niets van.

Na drie dagen doe ik nog steeds geen oog dicht van de pijn – normaal neem ik nooit pijnstillers, ditmaal dafalgans van 1g – , mijn schouder wordt ondraaglijk. Laten vallen is ook geen optie, dus wordt het een echografie. De slijmbeurs zit duidelijk ontstoken, de dokter trekt er vocht uit en spuit cortisone in. Na 2 dagen moet het al een stuk beter gaan!

Vrijdag, ik waag me aan een korte wandeling, kwestie van wat frisse lucht binnen te halen. Slecht idee, na een kwartier beef ik over mijn hele lichaam en heb ik overal spierpijn. Eens ik opnieuw binnen ben warm ik snel terug op en lijk ik weer beter. Voorlopig geen wandelingen meer. De zaterdag dan wacht een familiefeest, ik wandel een slordige 50m naar de ingang en zeg iedereen gedag. Tien minuten nadat ik binnen ben begin ik ongecontroleerd en heel erg hevig te schudden, veel erger dan de vorige keer en helemaal niet leuk voor een schouder die geen millimeter mag bewegen voor er een pijnscheut van komt. Ondertussen was de spierpijn ook al niet weggegaan en kon ik amper zelfstandig rechtstaan. De conclusie van de dokter: complete uitputting van de pijn, ik blijf pijnstillers nemen en krijg een spierontspanner. Voor de zekerheid trekt hij toch maar wat bloed. Aangezien het zaterdag is mogen we wachten tot maandag. Ik sta er eigenlijk niet bij stil, want ik voel me veel te belabberd om ook maar aan iets anders dan pijnontwijking te denken. Ik ben er echt niet aan toe.

Maandag 20 november komt het telefoontje van de dokter, de bloeduitslagen zijn binnen en ik moet zo snel mogelijk het ziekenhuis binnen. Ik had de zaterdag namelijk meer dan 11000 witte bloedcellen in mijn bloed en het maximum zou rond de 4000 moeten schommelen – correct me if i’m wrong. We gaan meteen naar het AZ Sint-Jan, denkend dat daar meer specialisten rondhangen dan in Blankenberge – een terechte gedacht zo bleek. Bovendien werkt er ook familie en zo zullen er nog wel redens geweest zijn. Rond 11u zet mijn oma mij en mijn moeder af aan spoed. Beiden zullen veruit de meeste bezoekjes brengen.

Op spoed tappen ze opnieuw wat bloed af en komt er al eens een dokter langs. Ik heb ondertussen meer dan 17000 witte bloedcellen, dus de ontsteking kan absoluut niet alleen in mijn schouder zitten. Het probleem met te veel witte bloedcellen – je weet wel, die bloedcellen die ontstekingen enzo bestrijden – is dat ze de rode vervangen, diegenen die mijn zuurstof moeten rondzeulen. Zuurstof heb ik wel degelijk nodig naar het schijnt. ’s Avonds word ik nog geöpereerd, maar veel van die dag herinner ik me eerlijk gezegd niet. Ik weet dat ik vanuit spoed vertrokken ben, maar veel meer herinner ik me niet.

Ik word wakker in de recovery en wat later opnieuw in mijn kamer op het 10e. Na 2 nachten – waarvan één met een heel erg actieve snurker uit Blankenberge – zijn mijn zweet- en koortsaanvallen allesbehalve van de baan. Ik krijg wel wat meer nieuws, een infectiespecialst genaamd dr. Vandecasteele komt langs en vertelt mij allerlei aardigs. Ik heb te maken met de staffilocockus aureius (waarschijnlijk hopeloos verkeerd geschreven), ofte MSSA, niet te verwarren met de ziekenhuisbacterie MRSA. Die kan volledig uit mijn lichaam verdwijnen zonder dat ik er ooit nog last van krijg, goed nieuws dus, maar ook wel wat minder: ik moet 4 weken intraveneuze antibiotica krijgen in massale hoeveelheden. De microbe is blijkbaar in mijn bloed gekomen – waarschijnlijk via de ontsteking aan mijn voet – en heeft zich via de bloedbaan op mijn hart gesettled. Naar het schijnt een aardige plaats om te vertoeven en zijn zonen uit te zenden. Ik krijg ontstekingen aan mijn linkervoet, linkerbovenbeen, rechterbovenbeen, 2 ingekapseld op mijn rechter onderarm, 1 op mijn rechter bovenarm en uiteraard op mijn schouder. Of mijn nieren ook aangetast waren weet ik niet meer. Als alles niet snel verbeterde moest er tot mijn grote ontsteltenis ook nog een hartklepoperatie bij. Niet om mee te lachen want dat zou het einde van mijn basketbalcarrière betekenen.

Mijn ongeluk als sportman werd gelukkig genoeg ook nog mijn geluk. Had ik niet in die uitstekende conditie geweest… ik durf mijn zin niet af te maken. Ondertussen verhuisde ik naar de dienst hartbewaking en onderging constant allerlei onderzoeken. Nog steeds bleek het heel erg lastig om te slapen. Pijn overal en dan nog die vervelende buisjes, draden en kabels overal. Frustrerend. Niet lang daarna werd dan beslist om ook mijn arm onder handen te nemen. Na de spoeling van mijn schouder volgde een operatie aan mijn onderarm. De twee kapsels werden weggesneden.

De rest zal ik maar in het kort vertellen want ik ben het al redelijk beu alles opnieuw te vertellen, vergeef me. Uiteindelijk verhoogden ze de antibiotica naar 6 weken, een serieuze klap voor me. Helaas werd ik na een week allergisch aan de antibiotica en dus werd het zoeken naar een alternatief. Gelukkig vonden ze nog iets, minder uitgetest helaas, maar het sloeg aan. Ondertussen kreeg ik zowel goed als slecht nieuws. Beginnen met het slechte dan maar. Mijn schouder werkte nog altijd absoluut niet naar behoren. Achteraf kan ik wel zeggen dat de ziekenhuiskinesisten niet erg veel hulp boden. Ik kon mijn arm nog altijd niet opheffen 4 weken na de operatie. Helaas bleek dat ook daar een pees gescheurd was, gescheurd door die ontsteking. Om helemaal de muren van op te lopen. Als je dan denkt dat je er na 6 weken vanaf bent komen de complicaties. Heel erg fijn. Het goeie nieuws was dan dat ik naar een gewone dienst mocht na 8 dagen op intensieve zorgen. Bijkomend goed nieuws: ik mocht naar huis als mijn moeder het zag zitten. Voor de leken onder ons: mijn moeder is thuisverpleegster en omdat ik nog jong was wilden de dokters het wel probeerden. Bij de minste complicatie werd ik uiteraard weer het ziekenhuisbed in gegooid. Ik leefde keihard naar de dag toe, na 19 dagen zou ik eindelijk naar huis gaan. En toen kwam weer een klap. Mijn moeder zag het niet zitten, het zou te lang blijken voor mijn arm om om de 8 uur antibiotica in te pompen zoveel dagen na elkaar. Verdict: nog een week wachten. Mijn hoop weer helemaal weggeblazen.

Die weken op de gewone dienst (het 9e tussen de longziekten, ze hebben me daar maar gelegd omdat ze nergens plaats hadden) bracht ik door tussen allerlei oude verstokte rokers, longkankergevallen, oude mensen met beademingstoestellen en onmenselijk lelijk rochelende 80+’ers. Fijn voor een jongeman.

Uiteindelijk kreeg ik dan toch mijn C4, na 26 dagen ziekenhuisverblijf. Ik dacht dat de dag nooit zou komen.