To make an end, is to make a beginning. The end is where we start from.

De Amerikaans-Britse dichter T. S. Eliot was geen idioot. Niet dat ik zijn levensverhaal ken, maar die uitspraak kan ik enkel bijtreden. Ook voor mij geldt die uitspraak, want bepaalde dingen zijn ten einde gekomen. Andere staan op het punt op gang te komen. En toch vind ik mijn definitieve weg nog altijd niet. Het einde is er al gekomen, maar de nieuwe start is nog niet helemaal vlekkeloos. Ik ben misschien al opnieuw weggekatapulteerd in een nieuw avontuur, maar ik denk dat de richting nog niet helemaal doorgedrongen is.

Natuurlijk wil ik iets van sport blijven doen, maar na mijn recentste operatie is daar nog niet veel van in huis gekomen. Misschien vertel ik beter dat verhaal eens. Een verhaal dat mentaal zwaarder bleek dan gedacht, een verhaal van ééntonigheid, van een gebrek aan informatie en eindeloze wachttijden. Wachttijden zowel in wachtzalen als aan tramhaltes.

Het begon allemaal in december, een uitloper van mijn nogal langdradige verblijf in één van de minst aantrekkelijke vakantiebestemmingen: het A.Z. Sint-Jan in Brugge. Ik kreeg mijn rechterduim niet meer naar boven, hoe hard ik ook probeerde. En dat merkte ik eigenlijk pas rijkelijk laat – geen pijn, vandaar – en ik liet er dan maar eens naar kijken. Ik was al thuis toen ik het voor het eerst merkte, want veel bewegen mocht ik sowieso niet na de operatie aan mijn arm waar ze de twee ingekapselde absessen weggesneden hadden. Ik vroeg het dus aan de kinesist, of die het toevallig niet wist. ‘Misschien een zenuw geraakt.’ Mijn vaste compagnon bij alle ziekenhuisbezoeken – mijn lieve mama – en ik vroegen bij een zoveelste doktersbezoek in Brugge wat eraan scheelde. ‘De pees zal door zijn door de infectie.’ Zonder veel boe of ba, geen foto, geen 2 minuten onderzoeken. Een eenvoudige operatie, een fluitje van een cent, alles zou weer in orde komen.

Goedgelovig – want dokters zijn toch zoveel slimmer dan de gemiddelde mens, zeker als je henzelf moet geloven of iets durft afleiden uit hun neerbuigende gedrag (ja er zijn uitzonderingen) – maakten we een afspraak voor een operatie: 12 februari, na de examens en na een heerlijk weekendje Frankrijk. De dag nadien werd ik verwacht in Brugge, nuchter uiteraard. Als iemand van plan is te vermageren, de makkelijkste manier is naar het AZ te gaan. Je moet uren wachten en nuchter blijven, ook als het niet nodig is – het was tenslotte plaatselijke verdoving, niet volledig. Men wordt verwacht 7u stipt, en men wordt dan uiteindelijk geöpereerd ergens rond 15u als ik het me goed herinner. Nadien mag je dan eindelijk eten, maar is al het voedsel alweer verbannen van de afdeling. Gelukkig kreeg ik nog wat keukenrestjes. Tijdens de operatie bleek overigens dat de pees intact was. ‘Het zal de spier zien.’ Niets mis aan de spier. Achteraf ging het dan om een zenuw. De diagnose veranderde met tijd. Van ‘de zenuw was aangetast door de infectie’ over ‘de zenuw was waarschijnlijk aangetast door de infectie’ naar ‘de zenuw was misschien aangetast door de infectie’. Je hoeft geen hoogleraar te zijn om in te zien dat ze simpelweg een zenuw geraakt hebben tijdens de vorige operaties. Tja.

De revalidatie zou een werk van lange adem blijken te zijn. 60 beurten kine beloofden alvast niet veel goeds. Ondertussen hoef ik niet meer dagelijks naar de handtherapeuten te trekken, maar 3 x per week is nog altijd te veel van het goede. Om alles een beetje overzichtelijk te houden zou ik beter wat meer chronologie inlassen. Na de operatie een week thuis, de eerste dagen immens veel pijn. Nog niet vergelijkbaar met mijn schouder, maar ik kon maar moeilijk de slaap vatten en zag af bij de miniscuulste beweging. Veel zenuwen in een hand blijkbaar. Misschien was juist daardoor die operatie nodig. Hmm. Na die week werd de pijn draaglijker, en vanaf dan mocht ik de peestransfer beginnen oefenen. Moeizaam, heel erg moeizaam. Gelukkig een heel erg vriendelijk therapeute, die weet waarmee ze bezig is. Als iemand een handtherapeut(e) zoekt, stop met zoeken. UZ Gent, afdeling handrevalidatie, daar moet je zijn. Voor diegenen die mijn kot weten zijn: inderdaad, de andere kant van Gent. Voor diegenen die het niet weten zijn: je staat aan het UZ en rijdt naar de andere kant van Gent, daar ergens. Iedere dag op en af. In het begin alles met de tram en te voet, al gauw een half uur onderweg. Ik moet elk uur oefeningen doen, en mijn plaaster moet dan uiteraard telkens uitgespeeld worden. In het begin erg pijnlijk, naar het einde toe een even normale handeling als ademhalen. Of laten we zeggen dat het een even normale handeling is als ademhalen voor een 50-jarige kettingroker, het ging nog een beetje moeizaam en raspend, maar niets onoverkomelijks.

Na zeveneneenhalve week mocht mijn plaaster er eindelijk af. Normaal gezien ging het 6 weken zijn, maar dokters nemen vakantie en patiënten lijden daaronder. Mij hoorde je die laatste twee weken nochtans niet klagen. De eerste weken had ik het erg lastig, mentale dipjes kwamen met de regelmaat van de klok. Afscheid nemen van een sport die je leven determineert is niet eenvoudig, en talloze dromen opbergen is dat evenmin. Dat ik uurlijks oefeningen moest doen, dagelijks naar de kinesist moest en vooral dat mijn vriendin op Erasmus zat/zit gaf alles een donker randje. Ik raakte de trage vooruitgang en de eeuwige routine meer dan beu en durfde af en toe eens mijn hoofd laten zakken voor een uurtje of twee. Dat vond ik dan weer zo flauw van mezelf dat het wel weer overging. Maar makkelijk was anders. Ik kwam tot de vaststelling dat ik al sinds november geen enkele dag zonder pijn door het leven was gegaan. Geen enkele normale dag. Ik raakte verstrikt in een net van zelfmedelijden, maar weigerde eraan toe te geven. Met heel veel opbeurende steun van iedereen rond me raakte ik uiteindelijk weer wat meer mijn strijdlustige zelve. Dan kwamen de laatste twee weken van plaasterergernis. Ik ging op bezoek bij mn vriendin in Rome. Ik klaarde overduidelijk op en genoot intens van mijn dagen bij haar. 4 dagen werden uiteindelijk 9 dagen en ik genoot nog meer. Eindelijk hervond ik wat moed in haar troostende armen. Ik kan iedereen hier nu wel proberen vertellen hoeveel deugd het me deed, maar ik denk dat niemand – en zelfs ik niet – beseft hoeveel steun ze me gaf, zelfs al moest ik ook haar troosten. Ik deed het met plezier en dolle verliefdheid. Na die Romeinse dagen herleefde ik opnieuw, mocht mijn stinkende vriend eindelijk van mn arm en kon ik weer wat meer genieten van het leven.

Als ik nu achterom kijk, het citaat van T. S. Eliot in mn achterhoofd, denk ik dat het einde misschien voorbij is. Dat ik een nieuwe start genomen heb, een nieuwe start die begon in het mooie Rome. Een start ook die nodig was. Niet dat ik zo diep zat, maar ik kijk meer naar de mooie dingen nu. Ook al ben ik nu nog cynischer geworden ten opzichte van rokers of mensen die drinken én rijden, ook al erger ik mij steeds meer aan mensen die de dood in de ogen kijken zonder te beseffen wat ze doen, ook al begrijp ik niet dat mensen zich vrijwillig kapot maken en vervloek ik sommigen om hun geveinsde onwetendheid van ‘ zo’n vaart zal het bij mij wel niet lopen ‘, toch bekijk ik heel wat dingen nu aan hun mooiere kant. Ik neem alles wat luchtiger op, en ga er prat op een meester in relativering te zijn. Ik hoop dat dit mijn nieuwe start mag zijn. Een nieuwe start waarin ik het geluk van de liefde mag blijven proeven, een nieuwe start op alle gebied. Want geen einde mag droevig zijn. Geen afscheid mag bitter zijn. ‘I will not say: do not weep, for not all tears are an evil.’ Welaan dan, niet alle afscheid hoeft bedroevend te zijn. Een afscheid, een einde, is een nieuwe kans. En laat ik die met beide handen grijpen.

Sincerely,

M.

Advertenties