Iedereen weet dat er geknoeid wordt met ruw audiomateriaal vooraleer het op de radio wordt uitgezonden. Neen, het gebeurt niet enkel bij de fameuze Humo-reclamespotjes, ook in het nieuws of bij reportages. Er wordt geknipt en geplakt, er wordt aan gesleuteld, er wordt mee geworsteld. Alles moet er immers vlotjes en clean klinken. Het geruis van een voorbij denderende trein wordt dus weggeplukt, een tergend lange euhmklank van een hip rolmodel wordt weggemasseerd of ingekort, de hoestbui van een gerenommeerde president wordt achterwege gelaten, een vernederende verspreking wordt met de mantel der respect bedekt en ga zo maar door. Omdat audiomontage al zo lang wordt toegepast, zou het ondertussen een begrip van de wereld moeten zijn. Na de jongensachtige aanpassingen in de beginjaren moeten de nuances nu doorgetrokken zijn en moet men weten hoever men kan gaan. Maar is de speeltijd echt over?

Niemand heeft er iets op tegen dat een interview of een reportage duidelijker klinkt. Evenmin zullen er klachten zijn over het weglaten van storende achtergrondgeluiden. Dat de journalist zijn eigen vraag weglaat kan doorgaans ook niet op protest rekenen, als het antwoord van de geïnterviewde tenminste duidelijk blijft. De verstaanbaarheid van het interview staat boven alles. Audiomontage wordt echter niet alleen gebruikt voor het verbeteren van de geluidskwaliteit, er worden ook geluiden toegevoegd.

Geluiden toevoegen is niet helemaal nieuw, denken we maar aan de lachband die ons moet aanzetten tot schateren bij elke geplande tv-mop. Bij de radio merken we dat ook. Welke Radio 2-luisteraar herkent de steeds weerkerende voetstappen niet bij een reportageploeg? De trein die net even toetert als we naar een reportage over de NMBS luisteren? De schoolbel als men over een school bericht? Of misschien iets extremer: de bombardementen als we een reportage uit een oorlogsgebied horen?

Op de onschuldige voetstappen zal er niet veel reactie komen. De toeterende trein is even onschuldig en schept enkel sfeer. Maar wat als het iets serieuzer wordt? Blijft een ‘bom droppen’ nog wel sfeerscheppen? Laten we even de context schetsen: de bom maakt hoogstwaarschijnlijk een einde aan veel te veel onschuldige en misschien wel veelbelovende levens. Maar tja, sfeer is belangrijk en er gaat niemand dood van een geluid meer of minder.

Een volledig ander verhaal krijgen we als we in het interview beginnen knippen en bricoleren. ‘Ik ben akkoord’ wordt met een vingerknip ‘Ik ben niet akkoord’. Er mogen natuurlijk zaken weggelaten worden, maar de context, de bedoeling en de inhoud moeten in overeenstemming blijven met het origineel. Bijvoorbeeld bij het monteren van een interview, of meer algemeen bij audiomontage, kan een boodschap compleet anders voorgesteld worden, nuances kunnen verdwijnen en een journalist kan zijn eigen voorkeuren uitdrukken. Maar waar is dan de ethiek? Faalt de journalist annex audiomonteur daarin, dan faalt hij evenzeer in de waarden en de deontologie van zijn beroep.

Maar wat met humor? Hoe ver mag humor gaan? Het is o zo moeilijk om grenzen af te bakenen. Spotten met alle instituties en instellingen? Of enkel op de man spelen? Deze thematiek is zo problematisch dat de journalist in kwestie zelf moet afwegen hoe ver hij kan gaan. Provoceren moet kunnen om de discussie aan te zwengelen, provoceren moet kunnen als het om humor gaat, maar moet men kunnen provoceren als de man wordt gespeeld in plaats van de bal? Publieke figuren moeten tegen een stootje kunnen, maar ook de journalist moet zijn verantwoordelijkheid opnemen. Manipulatie mag niet in het lexicon voorkomen. Een journalist moet grenzen stellen en respecteren. Een journalist zonder ethiek is de naam ‘journalist’ immers niet waardig. Niets meer, niets minder.