De Europese wijk heeft grandeur, zeker. Maar toch, ik mis daar iets. Elke donderdag stop ik even in Brussel Luxemburg om over te stappen richting Etterbeek. Een nagelnieuw station, opgetrokken uit modern materiaal en sobere blauwe en grijze tinten. Netjes. Maar ook: wereldvreemd. De enige kleuren die verraden dat er effectief mensen ronddwalen, ontwaar ik in de Panos of de krantenwinkel. En hetzelfde liedje in de rest van de Europese wijk: hoge, statige gebouwen. Flitsend glas en blinkend staal, vers en afgemeten beton. Er is geen hoek af. Niets op aan te merken, maar ik mis iets.

De architectuur is naast hypermodern (althans, dat denk ik: mijn kennis beperkt zich tot buikgevoel) ook helder. Pure symboliek, als je het mij vraagt. Transparantie, glasnost zo je wil, in een Europees kleedje. Een wereld waar grote mannen Europa besturen en laten zien hoe goed ze het menen. Maar schuilt er achter die symboliek ook daadkracht? Ik heb er eerlijk gezegd geen idee van, maar veel doet het er eigenlijk niet toe. Europa leeft toch niet. Als de hele wetgevende procedure al transparant zou zijn, blijft het toch vooral vechten tegen vooroordelen over de zogenaamde eurocratie. Hoe dan ook, voor mij zijn die schitterende gebouwen in de Europese wijk vooral intimiderend. Een wereld van grote meneren en mevrouwen, waar ik als nietige mier in ten onder ga en verdwaal.

Verder sporend uit het glinsterende station gingen mijn gedachten met me op de loop. Een treinrit als gekwalificeerd sardientje, een korte wandeling op automatische piloot en dan het licht gezien op de campus van de VUB. Ik wist wat ik miste in de Europese wijk! Eureka! De campus van de VUB leek me plots een groene long in het betonnen Brussel. De regen tikte zachtjes op mijn kap en het mos onder de bomen voerde me weg naar een Schotse of Ierse woestenij. Een plaatje dat me een nanoseconde wegtoverde naar de wildernis en meer bepaald naar de boodschap in het tweede boek van Robert Macfarlane. De wildernis overleeft en kiemt in microvorm op de meest onverwachte en onwezenlijke plaatsen. De campus is zo’n voorbeeld. Het terrein staat vol verouderde gebouwen, ondergedompeld in tristesse en melancholisch reflecterend over tanende geschiedenis vol glorie die er net niet kwam. KU Leuven en Universiteit Gent bleven telkens dat tikkeltje voor. De campus is met andere woorden een beetje droevig, maar ook temidden van de grijze oogvervuiling piept de wildernis door de weerbarstige laag menselijke invloed.

En ja, je hoort me komen. Net dát mist de afgeborstelde Europese wijk. Een beetje groen, een beetje minder wereldvreemdheid. Niet alleen voor het oog en de longen, maar ook symbolisch. Wil de Europese Unie zijn rol als wereldleider in de strijd tegen de klimaatverandering daadwerkelijk handhaven, dan kan het best wel een klein symbool gebruiken in haar achtertuin.

Advertenties